
Bij dit onderdeel wordt de vervoeging van regelmatige werkwoorden in de tegenwoordige tijd uitgelegd.
1. Verbos presente de indicativo - verbos regulares
El verbo tener
Het werkwoord tener (hebben) is een belangrijk werkword in de Spaanse taal. In dit onderdeel wordt uitgelegd hoe je dit werkwoord vervoegt.
2. Números
In dit onderdeel ga je leren hoe je moet tellen in het Spaans. Als het goed is heb je in de kennismakingsmodule geleerd hoe je moet tellen van 1 tot en met 20. Heb je dit nog nooit geleerd of ben je het vergeten? Klik dan hier voor een herhaling.
3. Verbos en el restaurante
4. Lo/la/los/las
Wanneer je in een gesprek zit en is net iets gezegd, dan hoef je dit niet altijd te herhalen. In het Nederlands vervang je dan het zelfstandig naamwoord met het, hem of ze.
Ejemplo:
''Ober, kunt u mij misschien de kaart brengen?
- Tuurlijk, hier heeft u hem.''
In het Spaans werkt dit net zo. Het zelfstandig naamwoord wordt vervangen door lo, la, los of las.
'' !Camarero! ¿Me trae la carta por favor?
- Claro, aqui la tiene.''

5. ¿Que tal la comida?
Wanneer je je mening wilt geven over het eten dan gebruik je het werkwoord estar. Omdat het over het eten gaat gebruik je de 3a persona singular o plural. Of je enkelvoud of meervoud gebruikt hangt af van het zelfstandig naamwoord.
Ejemplo:
La sopa está rica.
Los tomatos están ricos.